Verdomde schitterend

Is het niet verdomde schitterend; de reden waarom je niet bleef. Waarom je niet samen met haar zweefde, noch dreef, noch zonk. Waarom je haar geen koffie aanbood in de morgen, je hoofd niet met haar boog over Zweedse puzzels. Waarom ze haar vingers niet meer wikkelde in jouw krullen of plagerig je rimpels streelde. Is het niet verdomde schitterend; drie helse lettergrepen die de boventoon over de liefde voeren. Lo-li-ta. De melodische klanken van alles wat niet mag zijn. Van alles wat jij niet aanraken mag en zij niet mag ervaren. Waarom ze Lo was in de morgen, onschuldig aangedaan, lieflijk naïef. Hoe ze veranderde in Lola door de lichtste avances waarmee ze de wereld om haar pre-adolescente vinger wond, verwonderd over wat daarmee te bereiken viel. Hoe de twee klanken overgingen tot het drie keer tikken van de tong: Lo-li-ta. Jouw Lolita. Drie indringende tikken die de duivel aanwakkerden. Eigenwijs, eigenzinnig, maar draakachtig schuldbewust. Ze was Lolita in haar meest onzuivere vorm, de puurheid van de onschuld voorbij. Maar is het niet verdomde schitterend; waarom je haar de koffie weigerde. Waarom puzzels voor grote mensen zijn en je haar afdeed met een blokkendoos. Hoe ze ook haar blokken bouwde, een kasteel, een huis, een poort, het werden nooit de synoniemen die het raadsel kloppend maakte. Toch zocht je, met je ogen dicht en je vingers op de tast. De synoniemen werden verward met antoniemen en eindigden in een oase van verwarring. Wie de schuldige was, bleek om het even. Waarom je ging? Om haar, de uitdaging in haar, het nieuwe, het heftige van jullie tweeën samen, het onverbiddelijke van iets onmogelijks dat het recht opeiste te gebeuren. Is het niet verdomde schitterend.

Toen de liefde ons verliet

Weet je nog, toen ik jou voor lief begon te nemen en ik de tijd niet meer bezat.  Toen jij en ik begonnen langs elkaar heen te leven, toen de liefde aan het afnemen was. Toen ik mijn haren niet meer föhnde, niet meer kreunde van genot. Toen jij na eindeloze pogingen, het opgeven als beste oplossing trof. Jij die me langzaam niet meer streelde en ik niet meer hunkerde alsof. Ik die door jouw vingers slipte en jij gewillig het gemak opzocht. Toen jij en ik van elkaar verdwaalden, eindeloos op zoek naar onszelf. Omdat onze zelven niet meer verstrengelen in liefde. Ik en jij elkaar verloren, als niet te stoppen, maar vanzelf. Toen jij het opgaf mij te zoeken en ik jou al langer niet meer zocht. Toen de liefde ons verliet.

Loze letters

Het was lang geleden dat ik alleen was. Zo alleen, dat de muren op me afkwamen. De muren, mijn gedachten, creëren dat verstikkende gevoel. Dat gevoel dat ik niet goed genoeg ben. Dat ik mensen weinig te bieden heb. Terwijl ik naar beneden kijk kruipt de onvrede over mijn lichaam tevens mijn hoofd binnen. Ik ben bang om alleen te zijn. Bang om de dingen te voelen zoals ik ze voel. Mijn telefoon licht op, maar de behoefte om te kijken wie het is, blijft weg. Telefoons zijn geen mensen, smsjes geen gesprekken. Loze letters zijn geen volle klanken van lieve woorden. Het is zwart op wit. Koud, koel en meedogenloos. Ja, de liefde wordt beschreven. Maar het is als de wind door de bomen zien waaien vanachter glas. Het is er, maar niet bij jou. Altijd veilig om alleen maar naar te kijken. Blaas me weg, jij tovenaar van Oz. Laat zien dat het nog echt bestaat. Laat me niet vragen, vooral niet naar meer. Ik wil samen met jou alleen zijn. Tover mijn gedachtes weg of laat me zweven. Jouw keuze zal voldoen.

Eindig

Ik hoor de trein de hele nacht door bulderen, de wind razen door onze subtiele levens. Het licht weet mijn netvlies maar nauwelijks te bereiken. Je ziet een huis, je ziet een man, jij ziet het ook. Ik droom de slaap voorbij, voel het gewicht. Sommige banden zijn misschien geschapen om te worden gebroken. Ik streel met mijn vingers de ruwe relatie van jou en mij, dat wat de waarheid tekent, dat wat gevangen houdt wat jij en ik al langer weten. Houdt me niet zoals je me had. De conducteur vraagt naar mijn kaartje. Ik reis illegaal, geloof illegaal. Sorry meneer, geen kaartje, de jaren houden me zwervende. Het huis dat je ziet, de man, verdwijnt langzaam, ook voor jou. Als een opgebrande kaars, een uitgedoofd geloof. Geloof in de man, in het huis, jij begrijpt het ook.

Motel

Zou je nog op een lijn durven lopen. Om de goede tijden niet te vergeten, niet dat ik bewijs nodig heb. Jij en ik zijn nog altijd wat we zouden moeten zijn. De straten nog steeds gevuld met schaterlachen, hou de nacht nog even tegen.  Ik ben het licht fantastisch ontvlucht. De keuzes drastisch rennend in het rond. Ik kan het niet helpen te zien, maar jij, klein kind. Vul je dagen en je zakken genoeg. Hou de tijd nog even tegen en de golven van de redelijkheid. Zittend in een motel zonder uitzicht. Hebben we het leven verkeerd begrepen of juist veel te goed? Lach nog een keer, lieg nog een keer. Kijk me aan en loop de lijn, laten we het uitzicht niet verpesten.

Stratego voor gevorderden

De stem in mijn hoofd beval me om te rennen, maar de controle over mijn lichaam was niet meer als de mijne. Mijn handen bewogen ongecontroleerd, frunnikend. Ik wilde weg van mezelf. Je beweert dat je goed beseft hoe ik me voel. Waarom maak je het dan niet weg? Waarom zeg je niet dat angst onzin is? Wanneer je me een vraag stelt geef ik je het antwoord dat je me de vorige keer hebt voorgezegd; dat er een deur open staat. Maar jouw woorden zij niet de mijne en je doorziet me. Je vragen overdonderen me. Ik draai, frunnik, kijk weg, maar jij speelt beter. Ik vertel je wat ik dan wel zie, waarna je aantekeningen zullen fungeren als bewijs. Je legt me uit dat het me kan helpen om te praten, dat het aan mij is om te bepalen wat ik je wel of niet wil vertellen.  Je zegt me, dat je begrijpt dat ik bang ben. Ik ben bang dat ik zal gaan liegen, maar dat onderwerp is niet bespreekbaar. Ik hou de schijn op, ben een slecht mens. Jij beweert dat ik niet slecht ben. Ik wil terug naar hoe het was. Het is logisch dat ik blokkeer, leg je me uit. Waarom laat mijn hoofd me dan deze keer zo in de steek. Het schelle geluid van de kookwekker vult de ruimte. Het loopt uit en je wordt zenuwachtig. Na enige uitloop verlaat ik de kille kamer. Ik zeg geen dankjewel, dat zeg ik altijd, maar nu niet. Je vraagt me voor mezelf te zorgen, te luisteren naar wat mijn lichaam zegt. Ik sluit de deur, de enige deur die open stond. Ik kan niet voor mezelf zorgen, dat moet jij voor me doen.

Veelbelovend

Terwijl de glazen klonken, kon ze het genot van alcohol niet ondervinden. Ze bevond zich in de roes, maar de geestvervoering liet haar vallen. Op zoek naar een gevoel, het uitschakelen van beter weten. Ookwel de makkelijke weg, goed gepraat, misschien broodnodig. De kleine dingen fluisterde haar niet meer de goede weg. Noch waarschuwing, of goedbedoelde raad wist haar meer te bereiken. Ze was alleen of goed ingebouwd, net hoe haar dagen zongen. De veelbelovendheid was meedogenloos, ze was de schoonheid zelf niet. Haar dagen waren geen ballades van betovering. Het was keiharde rap over de rauwheid van het leven. Ze wist de straatstenen van haar schijngouden voeten te onderscheiden. Links en rechts, getrek, gedouw, de vraag wat van haar geworden was. Een vraag naar een relaas van vreugde. Een stilte gerelateerd aan haar komaf. Concrete oplossing in wikkel vragend, of ze alsnog haar kansen pakken zou.

Verjaren

Een kaarsje erbij geduwd in het zachte room. De cake die indeukt, plaats maakt. De slingers dansen in de lucht, omringd door een ruis van mensenstem. Bijeengekomen om het leven te vieren. Het leven dat verjaard, gezegend nog steeds te bestaan. Ballonnen worden opgeblazen, zwevende hoogvliegers, weigerend te dalen. Een jaar ouder, een stap dichter bij volwassenheid. Tijd om jezelf neer te zetten in de wereld. Een carrièretijger, een onbedwingbare moederwens, de tijd zal het leren. De felicitaties en kussen laten zich verwelkomen in grote getale. De alcohol die rijkelijk vloeit. De vrolijkheid is af te lezen van de gezichten. Een jaar ouder, een stap dichter bij volwassenheid. Geen meisje, een vrouw in vol ornaat. Ze is opgegroeid, uitgegroeid, genadeloos opgebloeid. De champagne die popt met een harde knal. Ze is er, ze staat er, ze is twintig.

Het café

Het donkere café opgebouwd uit het oude hout. Je kunt de mensen proeven, de gemoedelijkheid ruiken. De gesprekken zweven nog rond opgenomen door het meubilair. Het gebarsten hout dat kraakt, het dimlicht, de geur van verschraald bier, het gescheurde leer wanneer mijn handen de barkrukken voelen. Ik loop rond en voel aan alles opdat de herinneringen van alle zielen mijn lichaam overnemen. Gezelligheid, verdriet, overwinning, verlies, alles ging hier gepaard met geschonken genot. Menig adolescentenziel opgegroeid. Liefde gevonden, verloren, heroverd. De thuishaven van enkele groot geworden idolen. Zenuwslopende ballades die hier hun eerste publiek vonden. Waarop de barman met opgeheven kin trots beaamd dat hij ze gekend heeft. De mensen lossen wereld problemen op, willen laten merken wie de sterkste is en ze dansen de avond om. De discussies zijn hevig, maar lopen nooit uit de hand. De uitbundige mensenmassa is als één dat opgaat in sfeer. Mensen begroeten en omhelzen, schudden handen en delen kussen uit. De barman geeft er af en toe eentje weg, terwijl de afspeellijst weer dezelfde traditionele muziek horen laat. Dit kleine stukje wereld dat iedereen thuis noemt. Het laatste nummer laat Stay van Jackson Browne uit de boxen galmen, maar de barman laat weten dat het toch echt afgelopen is. Het feestgedruis drijft af, toch wordt het nooit stil in het café. De stemmen van de avond blijven weerklinken in het hout. De barsten die de jaren in zich opgenomen hebben. Het hout, dat iedere adolescentenziel zich opnieuw weer thuis zal laten voelen.

Een waas van wit goud

De waas van de nachten vol whiskey. Beregend vensterglas voorzien van de damp van verloren leven. De sterke indringende geur, die de kamer opvult. De wereld is de wereld niet. Fantomen die dansen, de scherpte die aftreedt. Het verleden kruipt langzaam mijn hoofd binnen, maar ik voel het niet. Ik voel de emoties niet, voel de liefde niet, de haat of de pijn. Ik herinner alleen gebeurtenissen als een reeks leven. Een reeks van wie ik ben geweest. Hoe meer ik drink, hoe meer ik afstand neem. Ik ben mijn glas, proost op mijn leven. Chapeau! Chapeau, op alles wat had kunnen zijn. Ik zie de engelen met hun cocaxefne witte jurken zwierend in het rond. Ik zie de besmeurde tafels, de vergeten waterkringen in het beukenhout. Zelfs God heeft de duivel nodig. Met mijn hoofd rustend op mijn handen, terwijl mijn sigaret zichzelf langzaam verteerd. Alsof ik mezelf langzaam verteer. Ik kijk omhoog, ik denk verdriet, maar ik voel het niet. Ik denk tranen, maar ze stromen niet. Mensen komen en gaan, als een stroom van chaos. Filosoferen, bepraten het leven als genieën. Lossen wereldproblemen op aan de beukenhouten tafel met waterkringen. De scherphoekige vierkante tafel. In een waas van wit goud. De waan fascineert me, de verschijningen fluisteren me zachte woorden in. Ik moet de wereld niet geloven, het is een complot. Dagen, misschien wel weken, zit ik aan de houten tafel. De tijd ben ik al eerder verloren, als een sleutelbos, om niet meer terug te vinden. Ik vertrouw mijn eigen hersenen niet. Ik denk, ik drink, ik rook. Ik blaas de rookkringen de lucht in als vervlogen jaren. Ik vroeg me af hoe ik als kind geboren ben. Zou ik bestemd geweest zijn voor grootsheid, of was mijn lot als mijn niet betaalde rekeningen, afwachtend, roodgloeiend, totdat het toeslaan kon. Ik kijk om me heen en zie mijn eigen gebouwde paleis. Langzaam gereduceerd tot het hoognodige. Opgebouwd om worden afgebroken. Zoals mijn leven is. Totdat de waan het overneemt, in een waas van wit goud.